Juttepeer
Synoniemen:
- Poire Yat.
- Gute Graue.
- Gråpäron.
- Dubbele Jut.
- Konings Jut.
- (Jodenpeer.)
Het synoniem Jodenpeer voor Jut staat tussen haakjes omdat de Jodenpeer eigenlijk een ander ras is. Toch werd deze naam voor Jut gebruikt omdat Jut in Amsterdam door de Joodse bevolking veel werd gekocht. Juttepeer is falso, hiermede wordt de Groninger Juttepeer een zaailing van de Beurré Beucke mee bedoeld.
Herkomst:
Onzeker, Frankrijk of Nederland; in de literatuur gedeeltelijk verwisselt als Beurré Gris en met Graue Herbstbutterbirne. Zeer oud ras, werd al in de Middeleeuwen vermeld.
Vrucht:
plukrijp: begin / half september. Late zomerpeer.
consumptierijp: begin tot midden september.
afmetingen: klein tot middel groot. 40-50 mm breed, 55-70 mm hoog, gewicht 50-75 gram, soortelijk gewicht 1,006. vorm: peer-, tol-, stompkegelvormig, midden- tot kelkbuikig, steelwaarts dunner; vruchtzijden effen, glad. Een regelmatige vorm.
kelkholte: vlak of afwezig, iets bultig.
kelk: groot, open, blaadjes lang, breed, toegespitst, bijna hoornachtig, stervormig, aan de basis gescheiden.
steelholte: vlak of ontbreekt, zwak bobbelig, gedeeltelijk met kleine vleeszwellingen.
steel: 20-25 mm lang, 2.5-4 mm dik, houtig en lang, bruin, rechtop of door vleesgezwel scheef zittend.
schil: karakteristiek voor de Jut peer is de stugge en taaie schil. Droog, ruw, korrelig, voor consumptie schillen.
grondkleur: geelgroen.
dekkleur: indien aanwezig vaal bruinroodachtig, stippels dicht, typisch roestachtig, lichter dan grondkleur. Beroesting donkergeelbruin, bedekt meestal de gehele vrucht. Onaantrekkelijke grauwe kleur.
vruchtvlees: geelachtig wit, fijne structuur, smeltend, sappig, typisch krachtig harmonisch zuurzoet, nobel aromatisch buitengewone smaakkwaliteit. Rond het klokhuis komen vaak lichte steencellen voor.
Gevoelig voor:
Tamelijk gevoelig voor schurft, neiging tot steencellenvorming rond het klokhuis; consumptierijp snel beurs. In regenachtige zomers veel last van scheuren, met sterke monilia-aandoening als gevolg.
Oogst:
Afhankelijk van standplaats vanaf eind augustus begin tot midden september, kort voor boomrijpheid, tot dan windvast, daarna vruchtval, moeilijk te plukken, hoge bomen, alleen boomrijp te transporteren; zo vlug mogelijk in de handel brengen. In regenachtige zomers veel last van scheuren, met sterke monilia-aandoening als gevolg..
Bewaren:
In natuurlijke opslag zeer korte bewaartijd, ongeveer 7 dagen, voor directe consumptie. Koelopslag niet onderzocht. Wordt snel buikziek. Slecht houdbaar!
Gebruik:
Tafelpeer voor vers gebruik, compote en conserven op sap, om te drogen en hardrijp voor sapwinning. De peer is bij hardrijpheid ook als stoofpeer te gebruiken.
Boom:
Groei traag maar wel gestaag door, lange groeikracht, lange levensduur ver over de 100 jaar, volgroeid zeer sterk. Gesteltakken schuin- of steilopwaarts, dicht bezet met zijtakken, deels hangend, vruchthout als sporen en stekeltwijgen. Vorm van de kruin breed-rond, piramidaal. Vormt een prachtige boom.
Bloei:
Late bloeier, kortbloeiend, weersgevoelig; bloesem aan de sporen en stekeltwijgen. Stuifmeel slecht.