Sterappel
Boomsoort: Appelboom.
Synoniemen:
Er zijn 43 synoniemen bekend onder ander:
- Sterappel
- Sterreinette.
- Pomme de Coeur.
- Reinette Rouge Étoilée.
- Herzapfel.
- Rother Sternrenette.
- St.Niklaasappeltjes.
- Early Red Calville.
- Sterrenet. (België)
- Binnenrode. (Limburg)
- Wijnappel.
- Binnenrooikes.
- Rode Reinette.
- Rother Weinachtsapfel. (Rijnland, Westfalen)
- Rother Herbstrenette.
De naam is ingegeven door de prachtige rode ster die te zien is als een rijpe appel dwars wordt doorgesneden. Ook wordt de naam wel toegeschreven aan de duidelijke aftekende stippels op de donkere schil (lenticellen) die er uit zien als sterretjes aan het firmament.
Herkomst:
Onzeker, vermoedelijke herkomst uit de driehoek Maastricht, Aken, Luik of St.Truiden (B) en is vermoedelijk van Belgische oorsprong. De appel is voor het eerst beschreven in 1830. In Duitsland vanuit Nederrijn verspreid, in Nederland vanaf 1880 verspreid.
Vrucht:
plukrijp: half september begin oktober.
consumptierijp: oktober tot en met januari.
afmetingen: de vrucht is altijd mooi rond en zeer gelijkmatig. Zij moet eerder klein dan groot worden genoemd; op zandgronden niet zelden wat groter dan op kleigronden. Middelgroot, 68 mm. breed, 55 mm. hoog, gewicht 115 gram, rond, zijden glad, regelmatig, alsof de vrucht is gegoten, met of zonder wratten.
kelkholte: middelwijd, middeldiep met fijne rimpels, bijna schotelvormig.
kelk: half open tot gesloten, middel groot, blaadjes lang, smal, spits, grijs bevuilt.
steelholte: nauw, diep glad, grijsbruin, straalvormig beroest.
steel: 10-15 mm. lang, 2-2.5 mm. dik, meestal houtachtig.
schil: zeer fraai, glad en zacht, droog, taai. Mooi scharlakenrood.
grondkleur: geelgroen tot geel, meestal volledig bedekt door dekkleur.
dekkleur: purper, scharlakenrood tot donkerrood verschoten, zonder strepen, typerend is de talrijke lenticellen (schilstippels) als roeststerren of driehoeken, gedeeltelijk licht omrand, vrucht dikwijls fijn lichtblauw berijpt.
vruchtvlees: geelachtig wit, onder de schil dikwijls roodachtig, evenals de vaatbundels; middelvast, fijncellig, slechts matig sappig, zoetzurig, ietsje geparfumeerd. Arm aan vitamine C.
klokhuis: tamelijk klein en platrond, zeer regelmatig gevormd, bijna altijd met zaden bezet.
Gevoelig voor:
Voor stip, fruitmotje, appelzaagwesp, weinig voor rot, niet drukgevoelig, plekken veroorzaakt door vroegtijdige vruchtval rotten niet, ze worden bruin, korrelig kurkachtig droog; goed transporteerbaar. Gevoelig voor wormstekerigheid, kali gebrek, op natte gronden voor kanker en kneuzen snel.
Oogst:
Vruchten hangen enkel, niet windvast, bij herfststormen hoge voortijdige vruchtval, gunstig oogsttijdstip benutten en vóór de andere soorten vanaf eind september / begin oktober oogsten; moeilijk te plukken aan oude hoogstammen, omdat de vruchten aan dun hout en aan de uiteinden hangen; vruchten zijn gelijkmatig middelgroot.
Bewaren:
In natuurlijk opslag tot januari, daarna rimpelig, vruchtvlees melig bij lang bewaren, beste tijd om uit de opslag te halen is vóór Kerstmis. Koelopslag mogelijk bij +3 tot +4ºC. 4 tot 5 maanden. Het nakleuren van de appels doet afbreuk aan de houdbaarheid van de appel.
Gebruik:
Als rode kerstappel voor vers gebruik, voor sap. Moes kan maar wordt wel bruinachtig van kleur. Decoratie in kerststukjes, uitgehold voor pasteitjes.
Boom:
Groeit op zaailing in het begin langzaam(zwak), maar gestaag later toenemend sterker. Gesteltakken schuin- en steilopwaarts, in het begin dunne houtgroei; zijhout later hangend, regelmatig bezet met middel en lange vruchttwijgen en stekeltwijgen. Kruin breedpiramidaal, breed uitgroeiend, in het midden luchtig, aan de periferie dichter. Weinig geschikt voor haagvorm, laat vruchtbaar. De boom heeft de neiging vooral aan de toppen van de takken te dragen, Vooral op latere leeftijd. Op zwakke onderstam verdwijnen de typische uiterlijke kenmerken van de Sterappel. Boom is goed vorst bestendig.
Bloei:
Late bloeier, langdurig, vaak ontbreken juiste laatbloeiende bevruchters; weinig vruchtontplooiing, ten onrechte geweten aan de weersomstandigheden; aan oudere bomen dikwijls alleen bloei aan enkele zijden van de boom die dan jaarlijks afwisselend bloeien, waardoor de boom toch ieder jaar vruchten voortbrengt; bloei in het begin eindstandig aan vruchttwijgen, later korthout.
Opbrengst:
Middelhoog, jaarlijks afwisselend. Begint laat te dragen.
Gelijke bloeiers:
Bevruchters:
Door de late bloei kan de bestuiving soms een probleem zijn. De bloemen zijn daardoor echter minder nachtvorstgevoelig. Het stuifmeel is diploïd en het kiemingspercentage bedraagd 91%. Vraagt om kruisbestuiving.
Geschikte bestuivers zijn:
- Bloeméezoet.
- Brabantse Bellefleur.
- Bramley`s Seedling.
- Cour Pendu.
- Cox`s.
- Dijkmanszoet.
- Eijsdener Klumpke.
- Golden Noble.
- Gronsvelder Klumpke.
- James Grieve.
- Keswick Codlin.
- Lombarts Calville.
- Transparente Jaune.
- Zoete Kroon.
Boomvorm:
Breed-piramidaal, een van de weinige appelbomen die piramidaal gesnoeid moet worden.
